Ken je dat? Je loopt je eerste marathon. Na weken achter elkaar trouw je duurlopen te hebben gedraaid, stap je goed voorbereid het startvak in. De eerste dertig kilometer voelen precies zoals ze zouden moeten voelen, gecontroleerd, misschien zelfs makkelijk. En dan, ergens na die dertig kilometer, loop je tegen een muur. Je snelheid zakt weg en de laatste kilometers hark je naar de finish. Niet omdat je te weinig hebt getraind. Omdat je nooit hebt getraind voor precies dit stuk.

Wat is het

Wat je op dat moment mist, heeft een naam: durability. Het is de mate waarin je lichaam onder vermoeidheid dezelfde kwaliteit blijft leveren als in het begin van een inspanning. Zie je VO2max, de maximale hoeveelheid zuurstof die je lichaam kan verbruiken tijdens inspanning, als de motor onder je motorkap. Een sterke motor levert veel vermogen, maar dit zegt niets over hoe lang hij foutloos blijft draaien. Durability is het vermogen om die motor, ook na kilometers stampen, niet te laten sputteren.

Het bestaat uit twee delen. Cardiovasculaire durability gaat over je hart en longen; blijft je hartslag bij een gegeven tempo stabiel, of loopt hij op naarmate de kilometers zich opstapelen? Musculaire durability gaat over je spieren; blijven ze efficiënt bewegen, of raken ze vermoeid en verliezen ze kracht en coördinatie? Voor de marathon en zeker voor de ultra is durability misschien wel dé bepalende factor. Niet je maximale snelheid op een korte afstand, maar hoeveel daarvan je overeind houdt als de klok blijft doortikken. Een lekkere Nederlandse vertaling heeft durability trouwens niet. Uithoudingsvermogen tegen vermoeidheid komt het dichtst in de buurt, maar de Engelse term bekt een stuk beter en dekt de lading precies. Daarom houd ik het in dit artikel simpelweg bij durability.

Hoe je het meet

Hoe bepaal je nou hoe het gesteld is met je durability? Dat hangt van best wat factoren af, maar er is een manier om er een indicatie van te krijgen. Kijk je naar je trainingsdata, let dan op decoupling. Dat is het verschijnsel waarbij je hartslag en je tempo tijdens een lange inspanning uit de pas gaan lopen. Je hartslag loopt op, terwijl je tempo gelijk blijft of zelfs zakt. Hoe kleiner dat verschil, hoe hoger je durability. Merk je tijdens een duurloop dat je richting het einde je tempo bewust moet laten zakken om nog in zone 2 te blijven? Dat is precies dit verschijnsel in de praktijk. Het mooie is dat je dit ook zelf kunt volgen. Vergelijk je duurlopen van verschillende momenten in je opbouw en kijk hoe je hartslag zich verhoudt tot je tempo in het laatste deel. Let op, een sterkere decoupling tijdens één duurloop betekent niet meteen slechtere durability. Hitte, te weinig slaap, stress of een zware trainingsweek kunnen ook meespelen, kijk dus altijd even naar de context voordat je conclusies trekt.

Wanneer het echt gaat tellen

Bij een 10 kilometer of 10 Engelse mijl speelt durability nog een beperkte rol, de afstand is simpelweg te kort om er echt last van te krijgen. Vanaf de halve marathon begint het merkbaar te worden. Bij de marathon en al helemaal bij de ultra wordt het effect groot. Het kan dan letterlijk het verschil maken tussen finishen zoals je had gehoopt of de laatste kilometers afzien.

Terug naar die eerste marathon

Dat was precies wat er misging bij mijn eigen eerste marathon. Qua volume zat ik goed, ik kwam met gemak tot dertig kilometer in mijn duurlopen. Het probleem was niet de afstand. Het probleem was dat ik in geen enkele van die duurlopen ooit op marathontempo had gelopen. Daarnaast deed ik ook helemaal geen krachttraining, alleen hardlopen. Ik had wel kilometers gemaakt, maar nooit de specifieke prikkels getraind die ik tijdens de wedstrijd zelf nodig had. Vandaar de muur.

Hoe train je dit

De goede kans is dat durability, net als je conditie, gewoon trainbaar is. Een paar bouwstenen die daarbij helpen.

Even serieus: hoe je het niet moet aanpakken

Want hoe verleidelijk het ook is om meteen elke duurloop af te sluiten op wedstrijdtempo of twee lange lopen kort na elkaar te plannen, durability bouw je niet op door zo veel mogelijk vermoeidheid te stapelen. Je lichaam heeft eerst een basis nodig voordat het deze prikkels aankan. Te snel te veel back-to-back duurlopen of tempo onder vermoeidheid toevoegen aan een schema dat daar nog niet klaar voor is, leidt eerder tot een blessure of overtraining dan tot meer durability.

Bouw deze prikkels dus geleidelijk op. Luister naar signalen als aanhoudende vermoeidheid, een stijgende rusthartslag of pijntjes die niet wegtrekken. Één of enkele trainingen overslaan of een prikkel uitstellen kost je niets. Doorzetten met een lichaam dat nog niet klaar is voor de volgende stap, kan je weken kosten.

Tot slot

Durability voelt tijdens een wedstrijd vaak als geluk of pech, maar het is grotendeels een keuze die je weken eerder al maakt. Bouw je volume geleidelijk op, train af en toe onder vermoeidheid, sluit een duurloop af op wedstrijdtempo en vergeet je voeding niet. Dan blijven die laatste kilometers gewoon kilometers, in plaats van een gevecht met jezelf.

Wil je hier niet alleen mee aan de slag?

Bij ALX Running kijk ik samen met jou naar hoe je durability opbouwt richting je volgende wedstrijd, van volume tot tempo tot herstel. Stuur gerust een bericht, dan sparren we vrijblijvend over wat bij jou past.

Neem contact op
← Terug naar alxrunning.nl